Middelen

De Civiele Lijst van de Koning bevat alle middelen die de Natie ter beschikking stelt van het Staatshoofd om hem of haar in staat te stellen de koninklijke functie in alle morele en materiële onafhankelijkheid uit te oefenen.

De lijst bevat enerzijds een dotatie die eens en voor altijd wordt vastgelegd en geeft de Koning anderzijds een gebruiksrecht op de koninklijke gebouwen om hem in staat te stellen het land permanent te vertegenwoordigen met de noodzakelijke waardigheid en luister.

Financiële middelen

  • Als dotatie moet de Civiele Lijst de Koning in staat stellen in volledige onafhankelijkheid alle uitgaven te verrichten die inherent zijn aan de uitoefening van de koninklijke functie.

Deze uitgaven hebben in eerste instantie betrekking op de personeelsuitgaven (salarissen, uitkeringen, vergoedingen en sociale bijdragen).

De werkingskosten omvatten onder meer de administratiekosten, de verwarmings- en onderhoudskosten voor de koninklijke verblijven en het meubilair, de kosten voor het autopark evenals de persoonlijke uitgaven en representatiekosten van de Koning en de Koningin.

De Civiele Lijst is dus geenszins een liberaliteit ten voordele van de Koning en nog minder een vergoeding voor de uitoefening van de koninklijke functie. De Civiele Lijst moet de Koning in staat stellen zijn grondwettelijke taken in de beste omstandigheden te vervullen.

Aangezien de Civiele Lijst wordt vastgelegd voor de volledige duur van een koningschap, is de wettelijke vastlegging ervan bij uitstek een daad die op de toekomst is gericht. De wet waarmee de Civiele Lijst van Koning Albert II werd vastgelegd voorziet in mechanismen die de koopkracht moeten handhaven en die rekening houden met de reële evolutie van de loonkosten.

  • De wet van 6 november 1993 heeft de Civiele Lijst voor de duur van de regering van Koning Albert II vastgelegd en bepaalt onder meer (uittreksels):

"Artikel 1. De Civiele Lijst wordt vastgelegd op tweehonderdvierenveertig miljoen frank (244.000.000 frank, hetzij 6.048.602,00 euro) voor de duur van de regering van Zijne Majesteit Koning Albert II.

Artikel 4. Het in artikel 1 bepaalde bedrag (244.000.000 frank, hetzij 6.048.602,00 euro) is gekoppeld aan de koopkracht op 1 augustus 1993, dit wil zeggen aan de index 116,08 van de consumptieprijzen van de maand juli 1993.

Dit bedrag wordt aangepast aan de index van de consumptieprijzen wanneer een van de spilindexen overschreden wordt. Onder 'spilindexen' dient te worden verstaan de getallen behorend tot een reeks waarvan het eerste 116,08 is en elk van de volgende wordt verkregen door het vorige met 1,02 te vermenigvuldigen.

Artikel 5. Het in artikel 1 bepaalde bedrag wordt om de drie jaar geherwaardeerd, te rekenen vanaf 1994, op basis van de evolutie van de reële salarissen van de algemene administratieve diensten van de federale Staat en de verhogingen van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid."

  • De uitgaven van de Civiele Lijst over de jaren 1995-2007 kunnen gemiddeld als volgt worden uitgesplitst:
Personeelsuitgaven 66,6 %
Onderhoud van domeinen en meubilair 12,5 %
Activiteiten, bezoeken 5,5 %
Verwarming, gas, elektriciteit, water 4,9 %
Werking van de administratie 2,6 %
Huishoudelijke uitgaven 1,6 %
Autopark 4,5 %
Allerlei (verzekeringen, ...) 1,8 %

Naar boven

 

  • De Civiele Lijst moet worden gescheiden van de private goederen van de Koning: dit zijn de goederen die hem persoonlijk toebehoren als particulier, zoals elke andere burger. Het gaat bijvoorbeeld om goederen die hij langs erfelijke weg zou kunnen verwerven.

Deze goederen worden beheerd op de wijze die de Koning beslist. Ze zijn onderworpen aan hetzelfde regime als de goederen van om het even welk Belgisch staatsburger, meer bepaald inzake belastingen.

  • De federale Staat heeft daarnaast beslist om dotaties toe te kennen aan diverse leden van de Koninklijke Familie:

Hare Majesteit Koningin Fabiola

Wet van 6 november 1993
"Art. 2. Vanaf 1 augustus 1993 wordt ten laste van de openbare schatkist een jaarlijkse lijfrentedotatie van 45.000.000 miljoen frank (hetzij 1.115.520,86 euro) toegekend aan Hare Majesteit Koningin Fabiola.
Dit bedrag is gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen van juli 1993."

Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip

Wet van 7 mei 2000
"Art. 2. Vanaf 1 januari 2000 wordt ten laste van de openbare schatkist een jaarlijkse dotatie van 31.800.000 frank (hetzij 788.301,41 euro) toegekend aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip.
Dit bedrag is gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen van december 1999."

Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid

Wet van 7 mei 2000
"Art. 3. Vanaf 1 januari 2000 wordt ten laste van de openbare schatkist een jaarlijkse dotatie van 11.000.000 frank (hetzij 272.682,88 euro) toegekend aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid.
Dit bedrag is gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen van december 1999."

Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Laurent

Wet van 7 mei 2000
"Art. 3bis. Vanaf 1 juli 2001 wordt ten laste van de openbare schatkist een jaarlijkse dotatie van 272.682,88 euro toegekend aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Laurent.
Dit bedrag is gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen van juni 2001."

Naar boven

  • De wet van 22 december 2008 bepaalt:

"Art. 2. Artikel 4 van de wet van 16 november 1993 houdende vaststelling van de Civiele Lijst voor de duur van de regering van Koning Albert II, tot toekenning van een jaarlijkse en levenslange dotatie aan Hare Majesteit Koningin Fabiola en van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip, wordt vervangen als volgt :

Art. 4. De in de artikelen 1 en 2 bedoelde bedragen, zoals aangepast op 31 december 2008 overeenkomstig deze wet, evolueren vanaf 1 januari 2009 op dezelfde wijze als deze bepaald in de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

Art. 3. In artikel 3bis van de wet van 7 mei 2000 houdende toekenning van een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Filip, een jaarlijkse dotatie aan Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid en een jaarlijkse dotatie aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Laurent, ingevoegd bij de wet van 13 november 2001, wordt het laatste lid opgeheven.

Art. 4. Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:

"Art. 5. De in de artikelen 2, 3 en 3bis bedoelde bedragen, zoals aangepast op 31 december 2008 overeenkomstig deze wet, evolueren vanaf 1 januari 2009 op dezelfde wijze als deze voorzien in de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. "

  • Historisch overzicht

De volgende tabel geeft een historisch overzicht van de bedragen van de verschillende Civiele Lijsten en dotaties sinds 1831 aan het begin van elk koningschap.

De bedragen aan het begin van elk koningschap zijn omgezet in Belgische frank van 1994.

Naar boven

Civiele Lijsten en Dotaties

Tabel van de bijgewerkte bedragen (1994) aan het begin van elk koningschap.

Basisbedragen Omgezette bedragen (1994)
ZM Koning Leopold I (1831-1865)
Civiele Lijst 2.751.323
(68.204 €)
502.116.448
(12.477.141 €)
Dootaties (vanaf 1853) 650.000
(16.113 €)
115.960.000
(2.874.573 €)
ZM Koning Leopold II (1865-1909)
Civiele Lijst 3.300.000
(81.805 €)
524.700.000
(13.006.973 €)
Dotaties 200.000
(4.958 €)
31.800.000
(788.301 €)
ZM Koning Albert I (1909-1934)
Civiele lijst 3.300.000
(81.805 €)
588.720.000
(14.953.988 €)
Dotaties 50.000
(1.239 €)
8.920.000
(221.121 €)
Civiele lijst na de devaluatie van 1927 (zie opmerking 1) 9.500.000
(235.499 €)
193.800.000
(4.804.177 €)
ZM Koning Leopold III (1934-1950)
Civiele lijst 12.000.000
(297.472 €)
289.200.000
(7.169.081 €)
Dotaties 2.000.000
(49.579 €)
48.200.000
(1.194.847 €)
Staatsbijdragen 1945-1951 (zie opmerking 2)
ZM Koning Boudewijn (1951-1993)
Civiele lijst 42.000.000
(1.041.153 €)
226.800.000
(5.622.225 €)
Dotaties 14.000.000
(347.051 €)
75.600.000
(1.874.075 €)
SM le Roi Albert II
Civilele lijst 244.000.000
(6.048.602 €)
244.000.000
(6.048.602 €)
Dotaties 73.800.000
(1.829.454 €)
73.800.000
(1.829.454 €)

Note 1 :

: Na de devaluatie van 1927 werd de Civiele Lijst van Koning Albert I teruggebracht tot 9.500.000 frank (193.800.000 frank waarde 1994) in plaats van de oorspronkelijk voorgestelde 23.100.000 frank (471.240.000 frank waarde 1994).

Opmerking 2 : Van 1945 tot 1951 kende de Belgische Staat jaarlijkse tegemoetkomingen toe als aanvulling op de Civiele lijst van Koning Leopold III. De waarde van deze staatsbijdrage in 1945 bedroeg 10.500.000 frank (65.100.000 frank waarde 1994).

Naar boven

Onroerende middelen

  • De wet van 6 november 1993 die de Civiele Lijst voor de duur van de regering van Koning Albert II vastlegt, bepaalt (zoals in de vroegere wetten die de Civiele Lijst vastlegden voor elk van onze koningen) :
    "Artikel 6. De koninklijke woningen worden ter beschikking gesteld van de Koning waarbij het binnenonderhoud en de meubilering ten laste vallen van de Civiele Lijst. De brandstof nodig voor de verwarming van het Paleis van Brussel zal worden geleverd door de federale Staat."

Onder « koninklijke woningen » wordt momenteel verstaan:

• het Paleis van Brussel
• het Kasteel van Laken

Het gaat dus om residenties die toebehoren aan de Staat en die ter beschikking worden gesteld van de Koning.

In het kader van de Koninklijke Schenking en overeenkomstig de wil van de schenker, Koning Leopold II, worden sommige andere residenties eveneens ter beschikking gesteld van de Koning. Het gaat momenteel om de volgende residenties:

• het Kasteel Belvédère
• het Domein Stuyvenberg
• de Villa Clémentine
• het Kasteel van Ciergnon
• het Kasteel van Fenffe

Deze residenties zijn eigendom van de Koninklijke Schenking, en via haar van de Staat.

  • Koning Albert II bezit een residentie in eigendom, "Le Romarin", gelegen in de Franse gemeente Châteauneuf de Grasse.

Met betrekking tot de persoonlijke bezittingen van de Koning heeft het Koninklijk Paleis op 18 oktober 2001 een persbericht verspreid als antwoord op sommige publicaties:

"In verschillende recente krantenartikels en boeken, die verschenen zijn of nog op de markt moeten worden gebracht, werd gewag gemaakt van het feit dat het fortuin van de Koning nagenoeg tien miljard zou bedragen, of dat dit althans een realistische schatting zou zijn.

Het Koninklijk Paleis ontkent formeel dat dit bedrag van 10 miljard (BEF) met de werkelijkheid zou overeenstemmen. Het persoonlijk vermogen van de Koning bestaat inderdaad essentieel uit: een eigendom gelegen in Châteauneuf de Grasse (Frankrijk), een jacht met de naam Alpa, en een kapitaal dat zelfs niet het twintigste bedraagt van het gepubliceerde cijfer".

Naar boven

De Koninklijke Verzameling

De Koninklijke Verzameling bestaat uit een uitgebreid aantal kunst- en decoratieve voorwerpen zoals beeldhouwwerken, schilderijen, maar ook meubels, zilverwerk en porselein. Deze Verzameling behoort toe aan de Belgische Staat die ze ter beschikking stelt van de Koning.

Bij de oprichting van de Belgische monarchie omvatte de Verzameling kunstvoorwerpen en meubels van Franse en Nederlandse oorsprong, die hadden gediend voor de inrichting van de koninklijke en keizerlijke residenties in de Nederlanden.

Dit geheel is nadien in hoofdzaak aangevuld met de belangrijke kunstverzameling van Koning Leopold II die door de Belgische Staat is verworven bij het overlijden van de vorst. Opgebouwd door Koning Leopold I en Koning Leopold II, bevatte deze verzameling kwalitatief hoogstaande objecten, voor het merendeel van Belgische oorsprong.

Daardoor geeft ze een getrouw beeld van de artistieke productie in België tijdens de 19de eeuw. Vooral de schilderijenverzameling is representatief voor de grote kunstcollecties van deze periode. De waarde ervan is des te groter omdat ze in haar geheel bewaard is gebleven.

Tijdens de opening van het Paleis van Brussel, in de zomer, is een deel van deze Verzameling te bezichtigen. De Witte Salons met Empiremeubilair en bekleed met wandtapijten uit Beauvais of de kostbare serviezen waarmee de tafel van de Blauwe Salon is gedekt, zijn hiervan representatieve voorbeelden.

Naar boven

Bibliographie:

  • Herman Balthazar & Jean Stengers, "De Dynastie en de Cultuur in België", Antwerpen, Mercatorfonds, 1990.
  • Arlette Smolar, "Het Paleis van Brussel. Acht eeuwen kunst en geschiedenis", Brussel, Gemeentekrediet, 1991.