Toespraak aan de Senaat

  • 30/05/2000
Zie ook:
Thema:
Plaats:

Mijnheer de Voorzitter,
Mijnheer de Voorzitter van de Kamer,
Mijnheer de Eerste Minister,
Dames en Heren Ministers,
Dames en Heren Senatoren,
Dames en Heren,

Welke de beschavingen ook zijn waaruit we zijn voortgesproten, met hun stuiptrekkingen, hun successen of teleurstellingen, waarover ik het niet zal hebben, is er maar één evidentie : wij zijn daar de vrucht en óók de erfgenamen van.
Voorwaar een weelderige erfenis die ons onvermoede horizonten heeft geopend, die de vrijheid heeft volmaakt, die ons met middelen en rijkdommen heeft overladen, die de technologieën heeft vermenigvuldigd en ons binnen de franjes van het heelal heeft gevoerd.
Dit alles was grotendeels de vrucht van de ecologie, van het toeval of van de noodwendigheden, maar wij hebben er alsmaar meer werktuigen uit geput, waaronder zeker de intelligentie.
Men kan inderdaad stellen dat het begrip ?leefmilieu? zelf is ontstaan met de mens.
Voordien was de ecologie overheersend in een evolutie die de bovennatuurlijke behoeften van de mens volkomen kon negeren.
Een van de wezenlijke opdrachten van de vermenselijking van de natuur is geweest om, met de hulp van de intelligentie, deze weelde van menselijke middelen om te buigen ten voordele van de ontwikkeling, zowel fysisch, intellectueel als geestelijk, van een mensheid op de weg van haar ontplooiing.
Persoonlijke micro-aanpassingen zijn er per definitie van verdacht ten dienste te staan van hem die zijn comfort wil vergroten ten nadele, zelfs ten koste, van de gemeenschap.
Dit betekent dat het beheer van het leefmilieu noodzakelijkerwijze behoort tot de politiek en dat het beroep doet op de intelligentie en op de verantwoordelijkheid opdat het leefmilieu evenzeer door verstand als door materie wordt bepaald.
Dit beheer veronderstelt zeer zekere criteria die, opdat zij er de duurzaamheid zouden van verzekeren, zorgvuldig moeten worden bepaald in functie van de middelen en hun eventuele onzekerheid, als de rechtmatige en billijke noden van de bevolking, de huidige als evenzeer, en zelfs nog meer, de toekomstige.
Het is noodzakelijk dat we dit goed zouden beseffen opdat de toekomstige evolutie evenzeer, en zelfs meer, de vrucht zou zijn van de wijsheid van het mensdom, liever dan van zijn begeerte of van de natuur, wat een verpletterende verantwoordelijkheid betekent voor het noodzakelijke platform voor het beheren van deze erfenis.
Maar wat dan ermee gedaan ?
Haar een nieuwe wending geven, haar dus sturen of beheren met een vernieuwde overtuiging die er in de toekomst een meer democratische ontwikkeling aan geeft en er de vruchten beter van verdeelt.
Vanuit een verworven situatie wil ik vandaag, in het perspectief van een harmonieuze evolutie, een nieuwe benadering suggereren van het begrip "leefmilieu".
Heden ten dage mag men stellen dat onze samenleving hoofdzakelijk is gebouwd op drie pijlers, namelijk de Ecologie, een relatieve sociale Billijkheid (of Eerlijkheid) en de Economie, anders gezegd de drie "E's", die men zich gemakkelijk kan voorstellen als een driehoeksfiguur.
De evenwichtige samenhang tussen deze drie "E's", die ons moeten behoeden zowel voor een eenzijdig economisme als voor een overdreven ecologie, ja ook voor een utopisch socialisme, is verre van evident.
De cohesie die ik wil aanbevelen kadert in een toekomstvisie en stoelt vooral niet op eender welke nostalgie van het verleden.
Deze visie leert ons dat de drie "E's" elkaar aanvullen in plaats van elkaar uit te sluiten, dat zij elkaar verbeteren in plaats van met elkaar te bestrijden, dat zij alleen in samenhang aanvaardbare en leefbare oplossingen kunnen brengen.
Ons land heeft voldoende bewijzen geleverd van de onmiskenbare voordelen van een gemengde, een sociaal gekleurde, economie.
Het feit dat het blinde kapitalisme sinds lang terrein verliest in Europa, om progressief plaats te ruimen voor dit gemengd model, getuigt van de mogelijkheden die op wereldschaal bestaan, op voorwaarde dat economische groei wordt verzoend met sociale rechtvaardigheid en ecologie.
Dit samenwerkingsmodel is helemaal geen rem geweest op de economische groei, wel integendeel.
West-Europa behoort tot de meest ontwikkelde, de meest geïndustrialiseerde en de rijkste subcontinenten van de wereld.
Toch vindt men er nog steeds een veel te talrijke minderheid van armen en uitgeslotenen die ons eraan herinneren dat het werk niet af is. Maar deze ontwikkeling mag niet gebeuren ten koste van de ecologie.
Dit blijkt trouwens uit de verbindingen tussen ecologie en sociale billijkheid en ook met de economie.
Het zijn inderdaad de minst bevoordeelde lagen van de bevolking die de zwaarste tol moeten betalen voor de ecologische rampen die dikwijls het gevolg zijn van de inconsequenties van een onvoldoend beheerste economische logica.
Uit deze drievoudige impasse bestaat geen klaarblijkelijke uitweg buiten een oordeelkundige toenadering tussen de drie polen.
Al te vaak beperkt de mens zich ertoe zijn intieme of persoonlijke omgeving te beschermen en te ontwikkelen, met andere woorden : hij blijft steeds in zijn eigen tuin.
Nochtans riskeert een afzonderlijke ontwikkeling van iedere pijler te leiden naar situaties van belangenconflicten, zelfs tot overheersing van de ene op de andere.
Het opperste doel zou moeten zijn te zorgen voor een evenwichtige ontwikkeling van de drie polen en te trachten hen dichter bij elkaar te brengen in de hoop ze te zien samenvloeien in een universeel leefmilieu.
In klare taal betekent dit dat het niet voldoende is te ontwikkelen, ook niet als de ontwikkeling duurzaam is, maar dat het van belang is de duurzaamheid te beheren en terzelfdertijd ervoor te zorgen dat het evenwicht tussen de drie polen bewaard blijft.
Dit is een beheer van duurzame ontwikkeling.
Verdergaand op deze weg, zou men zich nog affiniteiten kunnen indenken tussen de verschillende polen van de basis die, door zich te vermenigvuldigen, uiteindelijk de basis omvormen tot een veelhoek of, ideaal gezien, tot een cirkel.
Gesteund op dit continuüm van de omgevingsfactoren, zou de piramide noodzakelijkerwijze een kegel worden, waardoor het afronden van de hoeken de voorrang zou vastleggen van de interdisciplinariteit, waarbij geen enkele discipline nog zin zou hebben zonder een even progressieve als logische integratie met de andere disciplines.
Zo zal het ook moeten verlopen met de harmonieuze evolutie van onze drie pijlers bij het tot stand komen van een universeel leefmilieu.
Dit leefmilieu, dat ik zeer sterk wens, zou ons kunnen aanmoedigen, door zijn bepaling zelf van convergentie, om onze blikken en vooruitzichten te sublimeren tot een niveau waar het begrip leefmilieu zou samensmelten met dat van altruïsme.

Ik dank u.